… mijn interview met Miriam Van hee zoals gepubliceerd in Sch*mper
Schrijven om het leven te verdienen
Miriam Van hee praat zoals ze schrijft: eenvoudig, maar krachtig. Voorzichtig, de woorden wikkend en wegend, vertelt ze over haar studententijd, Gent en het dichterschap.
Van hee is een van de belangrijkste dichteressen van Vlaanderen. Ze debuteerde in 1978 met ‘Het karige maal’ en heeft ondertussen zeven dichtbundels en een verzamelbundel op haar palmares staan. Haar werk werd talloze malen bekroond. Ze won onder meer de Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poxebzie van de Vlaamse gemeenschap, die ze in 1998 ontving voor haar hele oeuvre. Van hee studeerde aan de UGent, het levende bewijs dat onze alma mater ook mensen met cultuur aflevert.
U studeerde van 1970 tot 1975 Slavische talen aan de UGent. Hoe kijkt u terug op uw studententijd?
“Aan mijn periode als student heb ik niet zo’n goede herinneringen. De studie die ik gevolgd heb, Slavistiek, was toen nogal beperkt . Je had vier jaar lang les van dezelfde twee proffen en er was niet echt veel keuzemogelijkheid. Ik heb wel een paar goede cursussen gehad, maar eigenlijk heb ik het meeste na mijn studies geleerd.
De negatieve beleving van mijn studententijd lag ook aan mezelf. Ik was nogal onzeker. Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Oostakker, dus ik ging van het dorp naar de grote stad. Op kot mocht ik niet, dus ik heb veel tijd doorgebracht in de leeszaal van de bibliotheek en in de cafetaria van de Brug. Ik was niet zo gelukkig toen, maar ik denk dat het mijn latere dichterschap wel bevorderd heeft.”
U was toen toch al bezig met poxebzie. (Van hee publiceerde voor het eerst gedichten in 1973, nvdr.)
“Ja, dat wel, maar ik heb later gemerkt dat al die ‘verloren’ tijd dat ik op de bus heb staan wachten, voor mij wel een vruchtbare tijd was. Dat je daardoor dingen leert opmerken, leert zien waar je anders aan voorbijgaat.”
U woont al uw hele leven in Gent. Wat spreekt u zo aan in deze stad?
“Ik ben er nooit weggeraakt. Ik heb veel gereisd, maar toch altijd gevonden dat Gent een charmante stad was. Misschien door de aanwezigheid van de universiteit. Het is zo’n stad met een eigen karakter. Ik hou daar wel van. Het is een stad waar je kunt leven en waar er veel te beleven valt.
Gent speelt een belangrijke rol in veel van mijn werk. Niet expliciet, maar toch altijd op de achtergrond. Veel gedichten van begin de jaren tachtig spelen zich hier af. Ik herinner me nog alle plekken die toen als decor functioneerden. Een gedicht schrijven is zoals een foto maken. Als je er geen foto van zou maken, zou je een gebeurtenis vergeten. Met een gedicht is het net zo.”
Behoedzaam
U bent allerminst een veelschrijfster. Werkt u bewust lang aan een bundel, of heeft het eerder te maken met een vrij moeizame, behoedzame manier van schrijven?
“Allebei. Het gaat niet gemakkelijk, en hoe meer je geschreven hebt, hoe veeleisender je wordt. Je weet dat er bepaalde verwachtingen zijn waaraan je tegemoet wil komen. Die externe druk maakt dat ik mijn uiterste best zal doen, dat ik niet te vlug tevreden ben.”
“Bovendien is mijn leven zo ingericht, dat ik ook nog mijn brood moet verdienen. Dat maakt dat ik weinig tijd heb om te schrijven. Als je wil schrijven, mag je niet in beslag genomen worden door andere zaken. Je moet je echt vrij voelen om te kunnen schrijven. Anderzijds denk ik dat het mijn natuur is. Ik denk niet dat ik zo’n overweldigend dichterschap heb, dat de woorden mij van bij het ochtendgloren te binnen schieten in een vloed. Zo is het niet. Ik zoek naar de woorden tot ze op hun plaats vallen. Als ik te veel tijd zou hebben, zou ik mezelf herhalen, vrees ik. Ik ben blij dat ik ook niet begonnen ben met proza schrijven, wat men mij wel eens gesuggereerd heeft. Ik denk dat het goed is dat ik die boot afgehouden heb. Het maakt, dat wat ik nu schrijf krachtiger is, dat het langere tijd meegaat.”
U debuteerde in 1978 met ‘ Het karige maal’. Is er een evolutie merkbaar in uw poxebzie?
“Ja, hoewel ik niet zo een dichter ben die bij elke bundel iets nieuws publiceert. Het is niet zo dat ik telkens een nieuwe taal uitvind. Ik heb ze langzaam moeten zoeken. Ik vind dat ik in het begin van mijn dichterschap op het randje van het gexebxalteerde balanceerde. Mijn werk was toen een beetje zwaarmoedig. Ik schreef toen ook vlugger, ik hoefde er bijna niks voor te doen. Mijn poxebzie is minder fragiel geworden.
Ik let ook meer op de stijl, ik gebruik meer trucjes. Dat helpt mij soms om de dingen juist te verwoorden. Ik denk dat vooral daar een verschil zit. Vroeger waren mijn gedichten nogal zwaar op de hand, en dat is nu minder het geval. Ikzelf neem minder plaats in. Dat betekent echter niet dat ik minder spontaan ben in mijn gedichten, dat ik minder durf dan vroeger. Er zit nu ook een beetje humor in, wat er vroeger zeker niet in zat.”
Balanceren
Is de functie van het schrijven zelf ook veranderd doorheen de jaren?
“Waarschijnlijk was het vroeger meer iets waaraan ik mijzelf kon optrekken. Ik ben vroeger een periode heel ongelukkig geweest, en dat maakt dat ik een soort melancholie met me meedraag. Het feit dat ik erover heb durven schrijven, en er op een heel persoonlijke, intieme manier mee naar buiten ben durven komen, heeft mij?hoe paradoxaal het ook klinkt?zelfvertrouwen gegeven. Omdat het erkend werd. De poxebzie heeft mij eigenlijk een plaats gegeven in de samenleving, in de wereld eigenlijk.
Ik heb natuurlijk ook gaandeweg beseft dat ik het kon, en dat ik ermee verder moest. Van alle dingen die ik kan, kan ik poxebzie schrijven misschien het beste. Dus voel ik binnen in mij een verplichting, dat ik daaraan moet werken, dat ik daaraan mijn beste krachten moet wijden. Daar was ik mij vroeger niet van bewust. In het Nederlands zeg je dat je ‘je brood moet verdienen’, maar in het Frans zeg je dat zoveel mooier: ‘Je gagne ma vie’. Zo ervaar ik het eigenlijk. Ik moet schrijven om mijn leven te verdienen.”
In een interview zei u ooit: “Bijna alles wat ik schrijf, is ook zo gebeurd of gezegd.” Is het schrijven voor u een manier om gebeurtenissen een plaats te geven, een soort van therapie?
(resoluut) “Therapeutisch is het niet. Ik kan best gelukkig zijn zonder gedichten te schrijven. Ik heb het nooit ervaren als iets therapeutisch, eerder als een soort neerschrijven van mijn ervaringen. Ik zit in veel van mijn gedichten, je kan ze lezen als xe9xe9n grote autobiografie. Elke auteur schrijft eigenlijk autobiografisch. De ene kan het beter verbergen dan de andere, maar je vertrekt altijd van dingen die je gezien, gehoord of gelezen hebt.
Het is wel zo dat er lijnen zitten in mijn poxebzie en dat je, als je verschillende bundels na elkaar leest, het gevoel krijgt dat je mijn leven kunt lezen. Maar het overstijgt het ook wel. Anders zou ik nooit zoveel mensen kunnen boeien, als er niet iets was wat anderen kunnen herkennen. Het is al gebeurd dat iemand een gedicht heel anders gexefnterpreteerd heeft, dan ik het bedoelde. Dat vond ik grappig en ik vind dat die verschillende interpretaties moeten blijven bestaan. Ik wil geen boodschap meegeven of eenduidige ideexebn opdringen. Een gedicht moet iets algemeens bevatten, iets dat mijn leven kan ontstijgen.”
Bescheidenheid
In recensies heeft men het vaak over de fluisterstem in uw poxebzie. Kan u zich daarin vinden?
“Langs de ene kant wel, maar men moet het ook niet overdrijven. Ik sta achter wat ik geschreven heb. Het is nu eenmaal mijn thematiek, mijn toon. (aarzelend) Het is misschien zo dat ik altijd een grote bescheidenheid in acht heb genomen, maar ik ben zo opgevoed. Ik denk dat dit, samen met mijn zachte voorleesstem, bijdraagt tot de reputatie die ik heb.
Ikzelf vind het niet echt fluisteren. Het ligt gewoon niet in mijn natuur om veel geweld te plegen in mijn gedichten. Ik balanceer altijd op een grens. Ik zeg de dingen zoals ze zijn, maar op een toon die toch altijd weemoed inhoudt.”
Zijn er mensen die u gexefnspireerd hebben, voorbeelden?
“Ik ben iemand die op een bepaald moment een auteur kan ontdekken. Ongemerkt, misschien onbewust, zal daar dan een neerslag van te vinden zijn. Ik denk dat je in mijn eerste gedichten toch wel de stijl van Lodeizen kan terugvinden. Toen ik twintig was, heb ik al zijn werk in xe9xe9n ruk gelezen. Als ik ze nu herlees vind ik ze nog wel mooi, maar ze staan even ver van mij af als de gedichten die ik toen schreef van mij afstaan. Omdat ik nu iemand anders ben. Ik geloof in een veranderde persoonlijkheid. Er is een kern die blijft, maar er is veel in je persoonlijkheid dat verandert. Ik weet zeker dat ook de Russische poxebzie een rol zal gespeeld hebben voor mij. Vooral in de mate waarin ik daarop gestudeerd heb, daar dieper op ingegaan ben. Dan is het iets dat je leert kennen zoals je een nieuwe stad leert kennen.
Ook muziek heb ik nodig bij het schrijven. Muziek is iets dat mij drijft. Al die dingen neem ik in mij op zoals ik andere dingen, indrukken in mij opneem. Mijn gedichten zijn dan eigenlijk de essentie van alles wat ik verwerkt heb in een bepaalde periode. Aan de ene kant worden gedichten dan het beste van mezelf, maar tegelijkertijd vormen ze mij ook weer. Ik schrijf dingen waar ik soms verbaasd van opkijk. Je schrijft iets en pas op het einde besef je dat het zo moest worden, ook al wist je dat op voorhand niet. Het dichterschap is iets heel bijzonders voor mij.”
Sara